BIJ DE DOKTER      SEKSUALITEIT      DE PIL      IN DE KIJKER      VRAGEN      FR     
 

Woordenlijst



A

Acne:

Chronische huidziekte, gewoonlijk optredend bij adolescenten, veroorzaakt ontsteking van de talgklieren en wordt gekarakteriseerd door puistjes in het gezicht, de nek en op het bovenlichaam.

Anemie:

Een tekort aan rode bloedcellen of aan hun hemoglobinegehalte, veroorzaakt bleekheid, kortademigheid en gebrek aan energie.

Anticonceptie:

Anticonceptie is het tegengaan (anti) van de bevruchting (conceptie).

Anticonceptiemiddelen:

Een middel om zwangerschap te voorkomen. Dit kan worden gedaan met behulp van een geneesmiddel, een voorwerp of door blokkering van een voortplantingsproces. Soorten anticonceptiemiddelen omvatten: orale anticonceptiemiddelen (beter bekend als de pil), het pessarium, condoom (voor mannen en voor vrouwen), diafragma, implantaten, prikpil, spiraaltje (IUD), hormoonspiraaltje (IUS), periodieke onthouding , ring, pleister, zaaddodende middelen en sterilisatie.

Anticonceptiepil:

Ook wel oraal anticonceptiemiddel genoemd, is een van de meest betrouwbare, omkeerbare anticonceptiemiddelen. Orale anticonceptiemiddelen bevatten hormonen die voorkomen dat de eierstokken een eicel vrijgeven. Zonder eicel kan er geen bevruchting plaatsvinden.

B

Baarmoeder (uterus):

Een dik, peervormig orgaan dat zich bevindt in de buikholte van vrouwen. Hij is bekleed met een laag cellen (endometrium) die reageren op de variërende hormonale stimulering van de menstruatiecyclus. Tijdens de zwangerschap draagt en voedt de baarmoeder de zich ontwikkelende foetus. Bij de bevalling trekken de spieren van de baarmoeder samen en drijven zo het kind uit het lichaam van de moeder.

Baarmoederhals:

Het onderste uiteinde van de baarmoeder, dat dient als de doorgang tussen vagina en baarmoeder.

Baarmoederslijmvlies (endometrium):

Het slijmvlies in de baarmoeder. Het endometrium wordt dikker naarmate de menstruatiecyclus voortschrijdt in voorbereiding op een bevruchte eicel. Als er geen bevruchting plaatsvindt, wordt het endometrium afgestoten tijdens de menstruatie.

Barrièrevormende anticonceptiemiddelen:

Barrièrevormende anticonceptiemiddelen voorkomen dat zaadcellen de baarmoeder binnenkomen. Sommige, maar niet alle, barrièrevormende voorbehoedmiddelen bieden bescherming tegen seksueel overdraagbare aandoeningen. De verschillende soorten barrièrevormende anticonceptiemiddelen omvatten: het diafragma, pessarium, mannencondoom, vrouwencondoom en vaginale zaaddodende middelen.

Bekkenonderzoek:

Een procedure die wordt uitgevoerd door een arts, waarbij het vrouwelijke voortplantingskanaal wordt onderzocht. Wanneer een vrouw ouder is dan 18 jaar dient dit eens per jaar te gebeuren. Het bekkenonderzoek wordt gebruikt om afwijkingen of ziekten in het voortplantingskanaal op te sporen.

Bevruchting:

De vereniging van een zaadcel en een eicel die plaatsvindt in de eileider van de vrouw.

C

Combinatiepil:

Bevat de hormonen oestrogeen en progestageen. Deze hormonen voorkomen de zwangerschap door de ovulatie tegen te gaan. Van alle orale anticonceptiemiddelen gebruiken vrouwen de combinatiepil het meest.

D

Driefasenpillen:

Driefasenpillen bevatten drie verschillende hormoondoseringen van oestrogeen en progestageen. De driefasenpillen bootsen de natuurlijke menstruatiecyclus van een vrouw na.

Dysmenorroe:

Abnormaal moeilijke of pijnlijke menstruatie.

E

Eénfasepillen:

Eénfasepillen bevatten één enkele, vaste dosis oestrogeen en progestageen voor de volledige behandelingscyclus.

Eierstokken:

De vrouwelijke organen die ova (eitjes) en geslachtshormonen zoals oestrogenen en periodiek progesteron produceren. De twee eierstokken bevinden zich aan weerszijden van de baarmoeder.

Eileider:

De buis die van de baarmoeder naar de eierstok loopt. De eileider vervoert eitjes naar de baarmoeder en is de plaats waar de bevruchting door een zaadcel plaatsvindt.

Ejaculatie:

Het uitstoten van sperma uit de penis bij een orgasme.

Embryo:

De vrucht in het moederlichaam tot ongeveer de 3de maand na de bevruchting, daarna spreekt men van foetus.

Embryogenese:

De ontwikkeling van de embryonale aanleg tot het tijdstip waarop de weefsels het type van volwassen weefsel hebben bereikt, d.i. gedurende de 16de tot 75ste dag na conceptie. In deze periode vindt er snelle groei en ontwikkeling plaats van de belangrijkste orgaansystemen en de belangrijkste uiterlijke kenmerken.

Endometriumhyperplasie:

Een bovenmatige groei van het baarmoederslijmvlies (endometrium). Dit kan abnormale menstruele bloedingen veroorzaken en kan kwaadaardig worden.

Endometriose:

Goedaardige woekeringen van baarmoederslijmvlies buiten de baarmoeder, die kunnen leiden tot ernstige pijn in het bekken, vaak rond de tijd van de menstruatie.

Endometrium (baarmoederslijmvlies):

Het slijmvlies van de baarmoeder. Het endometrium wordt dikker naarmate de menstruatiecyclus voortschrijdt in voorbereiding op een bevruchte eicel. Als er geen bevruchting plaatsvindt, wordt het endometrium afgestoten tijdens de menstruatie.

Eileider:

Het verbindingskanaal tussen de eierstokken en de baarmoeder. De eileider vervoert eicellen naar de baarmoeder waar de bevruchting met sperma plaats heeft.

Ethinylestradiol:

Een synthetisch oestrogeen dat vaak wordt gebruikt in anticonceptiemiddelen.

F

Foetus:

De vrucht in het moederlichaam; tot ongeveer de 3de maand na de bevruchting noemt men de vrucht embryo, daarna spreekt men van foetus.

Fibroïd:

Een niet-kankerachtige groei van het gladde spierweefsel van de baarmoeder; is stevig, rond en grijs-wit van kleur. Meerdere uitgroeiingen van deze soort ontwikkelen zich meestal in de baarmoederwand. Ze komen meestal voor bij vrouwen tussen 30 en 50 jaar.

Follikel (Graafse follikel):

Een met vocht gevuld blaasje in de eierstok dat zich ontwikkelt onder invloed van een hormoon (follikelstimulerend hormoon= FSH) gedurende de menstruatiecyclus. Als de follikel uiteindelijk barst, wordt er een eicel vrijgegeven die zich verplaatst door een eileider (ovulatie).

Follikelstimulerend hormoon (FSH):

Een hormoon dat wordt afgescheiden door de hypofyse en dat - onder meer - de afgifte van oestrogenen door de eierstokken stimuleert.

FSH-test:

Een test om de hoeveelheid follikelstimulerend hormoon (FSH) in het bloed te meten.

Fundus uteri:

Het bovenste of diepste deel van de baarmoeder dat het verst van de baarmoederhals verwijderd is.

H

Hormoon:

Een chemische stof die in een klier wordt aangemaakt en die zorgt voor activiteiten in andere delen van het lichaam. Hormonen worden verspreid via de bloedsomloop en beïnvloeden en reguleren de activiteit van bepaalde organen.

Hormonaal anticonceptiemiddel:

Zwangerschap voorkomen door middel van hormonen. De meest bekende hormonale anticonceptiemiddelen zijn de verschillende soorten anticonceptiepillen, maar ook de prikpil, implantaten, ring, pleister en progestageenspiraaltjes zijn verkrijgbaar.

Hypertensie:

Abnormaal hoge bloeddruk

Hypoestrogenisme (hypoestrogenemie):

Oestrogeenspiegel die lager is dan normaal, zoals bijvoorbeeld tijdens de menopauze.

Hypofyse:

De hypofyse is de belangrijkste endocriene klier (een klier die hormonen afscheidt die direct in de bloedsomloop worden opgenomen). De hypofyse reguleert en bestuurt de activiteiten van andere klieren en veel processen in het lichaam.

Hysterectomie:

Operatieve verwijdering van de baarmoeder.

K

Kanker in het endometrium:

Een kwaadaardig gezwelvorming of carcinomateuze groei in het slijmvlies (endometrium) van de baarmoeder.

L

Lipiden:

De vetten of vetachtige stoffen die in het lichaam opgeslagen worden en die dienen als energievoorraad. De hoeveelheid ervan kan toenemen bij bepaalde ziekten. Soorten lipiden zijn onder meer cholesterol, vetzuren, neutrale vetten en triglyceriden.

Luteïniserend hormoon (LH):

Een hormoon dat het vrijgeven van een eicel (ovulatie) uit de eierstok stimuleert.

M

Mammografie:

een röntgengrafie van het zachte weefsel van de borst om verschillende knobbeltjes (cysten of tumoren) op te sporen.

Menopauze:

De laatste natuurlijk voorkomende menstruele bloeding, die meestal optreedt tussen de leeftijd van 45 en 55 jaar. De follikels in de eierstokken stoppen met de aanmaak van eitjes en de aanmaak van oestrogeen neemt af. Deze afname van oestrogeen veroorzaakt de symptomen die in verband gebracht worden met de menopauze (warmteopwellingen, nachtelijk zweten, vaginale droogte,…). De menopauze treedt ook op na operatieve verwijdering van de eierstokken.

Menorragie:

Het overvloedig bloeden tijdens de menstruatie.

Menstruatie (ongesteldheid, regels):

De term menstruatie verwijst naar de dagen dat een vrouw bloedingen heeft vanwege het afstoten van het endometrium aan het einde van de menstruatiecyclus. De menstruatie duurt gemiddeld 5 dagen.

Menstruatiecyclus:

De zich herhalende cyclus van verandering in het baarmoederslijmvlies (endometrium). Het endometrium wordt afgestoten tijdens de menstruatie. Daarna groeit het weer aan, wordt dikker, wordt tijdens de ovulatie een aantal dagen in stand gehouden en wordt dan afgestoten bij de volgende menstruatie. De gemiddelde lengte van de cyclus, vanaf de eerste dag van de bloeding van één cyclus tot de eerste dag van een andere, is 28 dagen. De lengte en de aard van de cyclus kunnen per vrouw echter nogal verschillen.

Microgram:

Een maateenheid, één miljoenste gram of één duizendste milligram.

Migraine:

Ernstige, kloppende hoofdpijn, meestal alleen aan één zijde van het hoofd.

Milligram:

Een maateenheid, één duizendste gram.

Minipil:

Een oraal anticonceptiemiddel met uitsluitend progestageen. De minipil wordt gebruikt door vrouwen die geen oestrogenen mogen hebben, zoals vrouwen die borstvoeding geven.

0

Oestrogenen:

Hormonen die zorgen voor de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken bij vrouwen (zoals de ontwikkeling van de borsten) en die een belangrijke rol spelen bij de voortplanting. Menselijke oestrogenen worden hoofdzakelijk aangemaakt in de eierstokken van de vrouw.

Orale anticonceptiemiddelen:

Beter bekend als de pil, zijn een van de meest betrouwbare, omkeerbare voorbehoedmiddelen. Orale anticonceptiemiddelen bevatten hormonen die voorkomen dat de eierstokken een eicel vrijgeven. Zonder eicel kan er geen bevruchting plaatsvinden.

Osteoporose:

Een ziekte waarbij de botten verzwakken en sneller breken. Het wordt gekenmerkt door een verlies aan botmineralen en een afname van botstabiliteit. Het komt het meeste voor bij vrouwen na de menopauze.

Ovulatie:

Is het vrijgeven van een rijp ovum (eitje) uit een eierstok. Het gebeurt ongeveer iedere 4 weken in het midden van de menstruatiecyclus, circa 14 dagen voor het begin van de volgende menstruatie.

Ovariumcyste:

Abnormale membraneuze zak op de eierstokken.

P

Pelvic Inflammatory Disease (PID):

Staat voor een groep symptomen die wijzen op een infectie van het voortplantingssyteem van de vrouw. PID is ernstig omdat het de vrouw haar vruchtbaarheid kan ontnemen.

Pil (orale anticonceptie):

Ook wel oraal anticonceptiemiddel genoemd, is een van de meest betrouwbare, omkeerbare anticonceptiemiddelen. Orale anticonceptiemiddelen bevatten hormonen die voorkomen dat de eierstokken een eicel vrijgeven. Zonder eicel kan er geen bevruchting plaatsvinden.

Premenstrueel syndroom (PMS):

Bijna alle vrouwen die menstrueren, ervaren symptomen voordat ze ongesteld worden. Bij sommige vrouwen kunnen deze symptomen vrij ernstig zijn, waarbij er een combinatie van emotionele en fysieke veranderingen plaatsheeft. Emotionele veranderingen omvatten onder meer: woede, onrust, verwarring, humeurwisselingen, spanning, huilen, depressie en concentratiegebrek. Fysieke symptomen omvatten een opgezwollen gevoel, opgezwollen borsten, vermoeidheid, verstopping, hoofdpijn en onhandigheid.

Progesteron:

Een hormoon in het lichaam van een vrouw dat helpt de baarmoeder voor te bereiden op een zwangerschap.

Progestagenen:

Naam voor een groep synthetische hormonen die één of meer werkingen met progesteron gemeen hebben.

Puberteit:

Het proces van fysieke geslachtsrijping dat begint tussen de leeftijd van 8 en 13 jaar en dat 1 1/2 tot 6 jaar duurt.

R

Retentiefollikels:

Follikels die hadden moeten opgelost en uitgescheiden worden, maar waarbij dit niet gebeurd is.

S

Sterilisatie:

Medische ingreep waardoor de patiënt geen kinderen meer kan krijgen.

T

Testes (testikels):

De twee mannelijke geslachtsorganen die zaadcellen en het mannelijke geslachtshormoon testosteron produceren.

Testosteron:

Een mannelijk geslachtshormoon dat de groei van botten en spieren en de seksuele ontwikkeling stimuleert. Het wordt bij de man in de testes aangemaakt en bij vrouwen in zeer kleine hoeveelheden in de eierstokken.

Trombose:

De vorming of aanwezigheid van een trombose, een prop gestold bloed; vaak verhindert dit de normale bloeddoorstroming.

Totale hysterectomie:

Chirurgische ingreep waarbij de volledige baarmoeder, met inbegrip van de fundus (het bovenste gedeelte) en de baarmoederhals, verwijderd wordt. Omdat de eierstokken bij deze operatie niet verwijderd worden, zullen er na deze ingreep geen symptomen van de menopauze optreden; deze kunnen echter op latere leeftijd optreden.

U

Uitstrijkje (Pap-smear):

Wordt gebruikt voor het opsporen en diagnosticeren van kwaadaardige en premonitorisch kwaadaardige aandoeningen in het vrouwelijke geslachtskanaal.

Uteriene binnenwand (endometrium):

Het baarmoederslijmvlies. Het endometrium wordt dikker met de voortgang van de menstruele cyclus ter voorbereiding op een bevruchte eicel. Indien geen bevruchting plaatsheeft, wordt het endometrium afgestoten tijdens de menstruatie.

Uteriene prolaps:

Het vallen, dalen of glijden van de baarmoeder van haar normale plaats in het lichaam.

V

Vagina:

Het gedeelte van het vrouwelijke geslachtskanaal dat van de vulva (uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen) naar de baarmoederhals loopt. De vagina van een vrouw is bij rust ongeveer 7,5 cm lang en kan aanzienlijk uitrekken tijdens geslachtsgemeenschap en een bevalling.